Walt Whitman: Het lied van mijzelve (1)

1.

Ik loof mijzelf en bezing mijzelf,

En wat ik aanneem, zal jij aannemen,

Want ieder atoom dat bij mij hoort, hoort even goed bij jou.

 

Ik slenter rond en nodig mijn ziel uit,

Ik leun en luier op mijn gemak kijkend naar een halm zomergras.

 

Mijn tong, ieder atoom van mijn bloed, gevormd van deze aarde, deze lucht,

Hier geboren door ouders hier evenzo geboren door ouders, en hun ouders evenzo,

Begin ik nu zevenendertig jaar oud in goede gezondheid,

Om hopelijk niet voor mijn dood te eindigen.

 

Geloofsovertuigingen en leerscholen in onbruik geraakt,

Ze trekken zich een tijdje terug, voldaan maar nooit vergeten,

Ik bied aan goed of kwaad een heenkomen, veroorloof mij om ondanks het gevaar,

Ongeremd de natuur met oorspronkelijke energie uit te drukken.

 

Uit: Walt Whitman, 'Het lied van mijzelve', (vert. Joris Lenstra), Rotterdam 2005.