Kun je poëzieschrijven leren?

 

Ik kreeg een telefoontje met de vraag of ik een poëzieworkshop wilde geven. Ik aarzelde. Ik had dit nog nooit gedaan. Was het wel mogelijk om poëzieschrijven te leren?

De lessen die ik zelf had gehad, waren weinig poëtisch geweest. Met z’n allen gebogen over Achterberg, zijn versje recht uitgelijnd op een scheef gekopieerd A-4’tje binnen een grillige, donkere boekrand. Als je je woordenboek niet bij je had, nou dan kon je net zo goed thuisblijven. Het had meer weg van de vertalingen die ik voor Latijn moest maken, waarbij mijn woordenboek en ik ons continu verbaasden over de functies van al die naamvallen.

Als ik dichters als Ginsberg en Kaváfis niet had gelezen, had ik waarschijnlijk niets met poëzie gehad. Het was verfrissend om te merken dat je gewoon tegen je lezer mocht praten, dat het niet nodig was om verstoppertje te spelen. Ik kon hun werk dan ook eten, drinken en slapen.

Zo ging het volgens mij. Op een gegeven moment werd je door een gedichtje gegrepen en dan zat je eraan vast. Voor de rest van je leven zou ze een bijzondere plek innemen. Ik kende veel gematigde sportliefhebbers, maar geen enkele gematigde liefhebber van poëzie.

Maar kon ik deze bijzondere passie aanbieden in de vorm van een workshop met als doel betere dichters maken van een mij onbekende groep mensen? Hoe waren ze eigenlijk bij mij terechtgekomen?

Voordat ik deze vraag kon stellen, hadden ze mij mijn honorarium verteld en mijn nieuwsgierigheid was op slag genezen. Ik bedankt ze hartelijk en trommelde een paar dichtersvrienden op. In een café kwamen we tot een fantastische workshop waar ik praktisch gezien helemaal niets mee kon.

Op de afgesproken zondagmiddag begaf ik mij naar een achteraf zaaltje van de lokale bibliotheek waar ze een grote overheadsheet voor mij hadden neergezet. Vooraan zat een grijsaard die me met zekere trots vertelde dat hij 76 was en meer jaren schreef dan ik telde. Achterin, in een ouderwets vest en een spijkerbroek met gaten leunde een jongen op zijn stoel tegen de muur aan. Hij heette Simon. Verder zei hij bijna niets. Hij had mijn jongere broertje kunnen zijn.

Ik vroeg wie er al iets gepubliceerd had. Iedereen stak zijn hand omhoog, zelfs Simon. Ik knikte blij. Harm voegde eraan toe dat hij enkele schrijfwedstrijden had gewonnen. Hij had ooit zwart haar gehad en nu een roodachtig gezicht. Ik zou hem (en driekwart van mijn groep) in de vijftig schatten. Dat het mij nooit gelukt was iets te winnen, leek me niet zo relevant om te delen. Ik zei dat ik blij was met zo’n ervaren groep. Ik had hoge verwachtingen van ze. Er werd gegniffeld.

We begonnen met een brainstormsessie. Ik vroeg ze na te denken over schoonheid, bijvoorbeeld in de taal, de klank van een woord, een bijzondere beeldspraak, of de moeilijker te bereiken schoonheid van een nieuw inzicht. Alles mocht, zolang er niet geschrapt werd. Het draaide nog niet om het eindresultaat. We gingen als ijverige eekhoorntjes eikeltjes verzamelen voor de winter van het gedicht. En die zouden we zeker nodig hebben. Ze vonden het een grappige vergelijking.

Cees, die naast Harm zat, zei dat voor hem de vrouw de ultieme schoonheid was en beschreef met zijn handen de contouren van een vrouwenlichaam. Het bedrijven van de liefde, zei iemand anders. Ik had zo snel niet kunnen zien wie. Natuurlijk riep iemand met overslaande stem: ‘seks.’

Er werd gegrinnikt, ook door de dames, en ik had opeens een middelbaar schoolklasje tegenover me. Totdat Iris zei dat de heren zich moesten gedragen. Ze waren tenslotte volwassen.

En toen werd het stil.

Iedereen zat voorover gebogen alsof ze een examen moesten afleggen. Ik had gezegd dat ze mij erbij konden roepen als ze vragen hadden.

Ik keek naar buiten en dacht over schoonheid. Waar kwam je haar nog tegen? Waar niet? Je kon haar overal tegenkomen. Ik keek naar mijn mobieltje dat ondersteboven aan de rand van de tafel lag. Hoe waren ze erin geslaagd de hele wereld in zo’n machientje te stoppen? Was dat niet ook een vorm van schoonheid? Ik besloot het straks als voorbeeld te gebruiken.

Ik klapte in mijn handen. Voor sommigen was het te snel gegaan. Ze schreven hun laatste gedachte nog uit.

Nu leidde ik drie vormen in, waaronder het sonnet. Elke vorm had niet meer dan twaalf regels. Ze moesten hun gedicht in één van die vormen schrijven. Daar kregen ze drie kwartier de tijd voor. Dat klinkt lang, maar in een geïnspireerde schrijfroes is dat als een vingerknip voorbij.

Aan de slag.

Ik hoopte dat ze zouden ontdekken dat je met een druppeltje inspiratie, een duidelijk doel en het nodige zitvlees tot mooie resultaten kunt komen.

De volgende drie kwartier liep ik als een schoolmeester met de handen op mijn rug door het lokaaltje en keek dromerig naar buiten. Af en toe vroeg iemand mij om een rijmwoord of een synoniem. Ik hoefde verder nauwelijks iets te doen.

Dat was het dan!

Opnieuw klapte ik in mijn handen, benieuwd naar de resultaten. Maar eerst: wat vonden ze ervan? Was deze manier van werken nieuw voor ze? Ik hoopte op een aanknopingspunt om te kunnen benadrukken hoe belangrijk het is om gewoon aan de slag te gaan. Ze keken naar het papier en elkaar alsof ze net uit een ei waren gekropen. Harm was de eerste die sprak. Hij zei dat hij het niet zo bijzonder had gevonden. Dit had hij al eens eerder gedaan bij een andere workshop. Soms deden ze bij een van zijn schrijfgroepen ook zoiets.

Ik keek ze een voor een aan. Waar was hun spontaniteit gebleven?

Wou iemand dan het gedicht voorlezen? Natuurlijk was het nog niet af, maar toch, als vakgenoten onder mekaar. We hadden nog een kwartiertje, zag ik, dus dat zou een mooie afsluiter zijn. Dan rondde ik af met een paar algemene opmerkingen over het dichtproces.

Niemand reageerde. Of wilde niemand de eerste zijn? Ik richtte mij tot Cees, die vaak zijn werk op podia voordroeg, en knikte hem bemoedigend toe.

Hij schraapte zijn keel en zei met luide stem dat zijn gedicht verre van af was en dat hij het onmogelijk nu al voor kon dragen.

Ik hief mijn handen. Waarom naar een workshop gaan als je te bang was om te leren?

De stilte in het zaaltje was allesbehalve poëtische. Maar niemand gaf toe. Ik pakte de marker en wenste diep vanbinnen dat ik deze opdracht nooit had aangenomen. Ik wilde met de afsluitende opmerkingen beginnen toen Iris opstond. Ze trilde zichtbaar en haar benen en zilveren armbanden rammelden. Duidelijk hoorbaar droeg ze haar gedicht voor. Ruth, de gepensioneerde dame naast haar, stond ook op, ik denk voor het dramatische effect, en deelde eveneens haar schoonheidsgedicht. Ik gaf Simon het woord. Hij had al vanaf het begin willen voordragen maar ik had hem omwille van zijn jeugd gespaard.

Nu was het hek van de dam. De oudere rammen durfden wel, al was het steevast met de opmerking dat het gedicht nog in wording was en ook zo beoordeeld moest worden. Er werden opbouwende kritieken uitgewisseld, waarbij ieder oog had voor elkaars intenties. Zelfs Harm zei bij het handen schudden na afloop dat hij er iets van opgestoken had.

Ik liep het lege zaaltje na om te zien of ze niets vergeten waren. Het was een leuke, levendige groep geweest.

Ik pakte mijn mobieltje van het bureau. Uiteindelijk had ik het niet gebruikt. Ik wist niet hoe ik erover moest beginnen. In de beeldenreeks over schoonheid werd de bloem van Iris bij Ruth een vlinder die zich bij Simon aan een duistere waterval nestelde. Vervolgens was ze een vergezicht dat een weidse blik op de immense oceaan werd. Na zo’n beeldenreeks kon ik niet opeens met een machientje aanzetten. Tegenover deze groep aardige mensen kon ik niet de cynicus uithangen en ze vragen wanneer ze ooit stil hadden gestaan bij een bloem of een waterval hadden gezien.

Hoe kon ik bovendien de sfeer bederven op een gemoedelijke zondagmiddag waarop ik goed betaald werd om me met mijn passie bezig te houden en de vraag stellen waarom ze niet over de schoonheid in hun eigen leven hadden geschreven? Wat was er met ons aan de hand als we schoonheid zagen als iets wat niet voorkwam in de wereld waarin we leefden, een wereld die we grotendeels zelf gemaakt hadden? Wat zei dat over onszelf?

Nee, ik zou dat allemaal niet in dat ene kwartiertje besproken krijgen.

In plaats daarvan deed ik wat er van me verwacht werd. Ik bedankte ze voor hun inbreng, schreef een paar tips uit een gerenommeerd handboek op en zei dat ze zich open moesten stellen voor schoonheid, in welke gedaante die zich ook voor mocht doen.

Ik verliet het zaaltje. Het licht in de bibliotheek was bijna overal uit. De boeken lagen in hun kasten achter glazen deuren. Ik werd er melancholisch van.

 

(c) Joris Lenstra

 

Editio, korteverhalenwedstrijd, 28 december 2017